Hoog bezoek en roerige tijden

Beroemde personen, zoals keizer Maximiliaan, Philips de Schone, Karel V, Philips II, de hertogen van Gelder, Brabant en Parma, Albertus van Oostenrijk, Erasmus, de H. Leonardus van Vechel, de H. Petrus Canisius, hebben er geknield. Bij de grote stadsbrand van 1419, welke een gedeelte van ‘s-Hertogenbosch in as legde, schijnt enkel aan het dak van de Sint-Janskerk schade te zijn toegebracht. Toen echter op 25 juli 1584 de bliksem insloeg in de grote koepeltoren, midden op de kathedraal, en deze brandend omlaag stortte, had de Lieve-Vrouwekapel aanzienlijk te lijden, omdat de spits van de westertoren vlam vatte en de klokken en het uurwerk omlaag vielen. Door de goede zorgen van de stedelijke overheid was de schade weldra hersteld.

Keizer Maximilian IEenmaal heeft de kapel gevaar gelopen om afgebroken te worden. Dat was omstreeks het jaar 1500, toen men met de noorder-zijbeuk van het schip der kerk gereed was en men deze wilde doortrekken tot het westen, om ze tegen de bakstenen zijwand van de toren te laten aanleunen. Hier stond de Mariakapel in de weg. Toen besloten echter de kerkmeesters om deze kapel niet af te breken, maar om een noodaansluiting tot stand te brengen tussen de oude kapel en het nieuwe werk.
Omstreeks de helft van de 16e eeuw hingen donkere wolken boven de kerk, toen de protestantse hervorming, op clandestiene wijze, binnen de vesting ‘s-Hertogenbosch wist binnen te dringen. Luthersgezinde burgers hielden hier en daar geheime bijeenkomsten in particuliere huizen. Gedurende de maand juli en de eerste weken van augustus 1566 toonden de hervormers zich driester. Protestantse predikanten (onder wie enkele afvallige priesters) naderden over Hedel, Engelen en Deuteren de stadswallen, waar zij op weiden de befaamde hagepreken hielden tegen de katholieke godsdienst. Op allerlei wijzen kwamen zij binnen de stad, waar zij, met Bossche kermis en bij de grote Omgang in juni, reeds openlijk waren opgetreden.

Op 14 augustus 1566 eisten zij, in een request aan het gemeentebestuur, enige plaatsen op “t sij gewijde ofte ongewijde”, om er hun predikaties te houden. Toentertijd had ‘s-Hertogenbosch vele handelsbetrekkingen met Antwerpen, alwaar op 20 augustus 1566 een beeldenstorm plaatsgreep. Kooplieden vertelden dit nieuws en op donderdag 22 augustus waren hervormers opgehitst, om zoiets ook in ‘s-Hertogenbosch te beproeven. In de namiddag drong het gepeupel, ongeveer 300 man sterk, onder leiding van het protestantse consistorie en enige opgezweepte belijders van de nieuwe leer, de Sint-Jan binnen en begonnen altaren en beelden te vernielen. Doch de kerkmeester Jan van Liebergen, hiervan op de hoogte, snelde naar het raadhuis en liet door de schepenen vier schutterijen oproepen, door wier optreden ‘s avonds de kathedraal van de vandalen gezuiverd was. De “Jonge Schutsen” en enige ambachtsdekenen bleven die nacht in de kerk, om voor het hek van de kapel van O. L. Vrouw van ‘s-Hertogenbosch de privilegiën en de sieraden van de Sint-Jan te bewaken. In de volgende voormiddag werden het beeld van de Zoete Lieve Vrouw en allerlei kostbaarheden door Jan van de Stegen en jonkheer Willem de Borchgrave, op bevel van het stadsbestuur, met behulp van schutters, naar het stadhuis in veiligheid gebracht. Toen in de namiddag de schutters afgetrokken waren, is het gespuis wederom de kerk binnengedrongen en heeft links en rechts veel vernield, behalve in de kapel van de Illustre Lieve Vrouwebroederschap, welke door Beijens en enige mannen verdedigd werd. In de dagen, welke nu volgden, hielden de katholieken op vele plaatsen de wacht.

Doch de protestanten wilden zich heer en meester tonen van de kerk en verzochten op dinsdag 27 augustus de stadsregering, om beelden en altaren op te ruimen, onder bedreiging, dat zij het anders zelf zouden doen. Toen hun verzoek niet werd ingewilligd, begon op 31 augustus de beeldenstorm opnieuw. Begin september bezweken de gereformeerden voor de bedreiging van het landsbestuur te Brussel en op 6 september kondigde het stadsbestuur af, dat de gewone eredienst wederom moest doorgaan. Het bleef echter broeien en op 10 oktober brak de vernielzucht nog eenmaal los, welke tot middernacht aanhield. Doch het stadsbestuur trad nu krachtiger op. Pas het volgend jaar, op 14 april 1567, was de orde geheel hersteld, toen de graaf van Megen met zijn troepen in de stad kwam en de heiligdommen aan de katholieke eredienst terugschonk.

Website van de Broederschap van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch